Ruud Heinsius laat het verleden in flarden voor zijn geest
voorbijkomen. Zijn boek is een nagedachtenis aan zijn vrouw Reins, zijn
zoon Robert, zijn dochter Monique en zijn eerste dochter lang geleden.
Het zijn aan flarden gescheurde gedachten, over waanzin, ziekte en
angst, over aan flarden gescheurde levens, waarbij hij probeert de
kleur geel, als deel van de zon en vrolijkheid, de boventoon te laten
voeren.
Hij vertelt, hoe de dood in steeds
verschillende gedaantes bij herhaling aan de deur van zijn hart klopte.
Hoe wanhopig hij werd van hulpverleners die bleven zeggen dat het beter
ging. Hoe hij tot de kern van zijn wezen doordrong, daar waar het toch
nog licht kon worden.
Aangrijpend, eerlijk, kwetsbaar.